Embodied Conversational Agents in de Klinische Psychologie

,

Het volgen van een online therapie kan een effectieve manier zijn om van een depressie af te komen. Sommige van deze therapieën zijn zelfstandig te volgen, maar meestal is er nog enige begeleiding door een therapeut of coach. Interventies waarbij geen begeleiding nodig is, zijn in principe laagdrempeliger en eenvoudiger op te schalen, maar begeleide behandelingen blijken vaak toch nog effectiever. In dit onderzoek willen we de kloof tussen begeleide en onbegeleide behandelingen verkleinen door de begeleiding geheel of voor een deel te automatiseren met behulp van embodied conversational agents.

Misschien kent u ‘embodied conversational agent (ECA)’ onder een ander naam, bijvoorbeeld avatar of virtual character. ECA is de academische term voor het concept dat wordt samengevat als “humanlike conversational AI (Artificial Intelligence) entities”. De website https://www.chatbots.org/ heeft hiervoor inmiddels 161 synoniemen geïdentificeerd. Een korte definitie is hier op zijn plaats. Het gaat om computerprogramma’s die (1) gebruikmaken van (een menselijke) vorm op bijvoorbeeld een computerscherm, (2) op een menselijke manier kunnen communiceren met een gebruiker, en (3) kunstmatige intelligentie (AI) gebruiken om intelligent gedrag te vertonen. De balans tussen deze drie elementen kan enorm verschillen, evenals de complexiteit waarmee ze worden toegepast. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het verschil tussen een chatbot, in de vorm van een plaatje, die uw vragen beantwoordt in een webwinkel, en een realistisch uitziend figuur in een computerspel waarmee nauwelijks interactie mogelijk is.

Van ELIZA naar Ellie
Het klassieke voorbeeld van een chatbot binnen de psychologie is ELIZA, die reeds in 1966 werd ontwikkeld door Joseph Weizenbaum. ELIZA simuleert een Rogeriaanse psychotherapeut. Op http://www.masswerk.at/elizabot/ kunt u zelf met Eliza communiceren. Eén van de zaken waarmee ELIZA veel moeite heeft – evenals de huidige computers – is interpretatie. Daarom zal het waarschijnlijk nog wel even duren voor computers de begeleidende gesprekken overnemen van de psycholoog. Natuurlijk heeft de ontwikkeling sinds 1966 niet stilgestaan. Met name het volgende Youtube-filmpje van virtuele gesprekspartner ‘Ellie’, spreekt erg tot de verbeelding: https://www.youtube.com/watch?v=ejczMs6b1Q4. Kunnen we nu iets met deze technologie in de dagelijkse praktijk?

Literatuuronderzoek
In onze eerste studie brachten we het onderzoeksveld in kaart door middel van literatuuronderzoek. In totaal identificeerden we 49 studies die een ECA gebruikten in een interventie voor mensen met veelvoorkomende psychische klachten. We wilden met name te weten komen hoeveel ondersteunend bewijs er was voor de toepassing van dergelijke interventies. Waren de interventies die we vonden al effectief en veilig genoeg voor toepassing in de klinische praktijk, was er wellicht een veelbelovende oplossing waarmee we meteen aan de slag konden, of zouden we toch voor onze eigen aanpak moeten kiezen?

Relatief nieuw
We concludeerden dat de meeste interventies zich nog in de ontwikkelings- en pilotfase bevonden. De studies hielden zich voornamelijk bezig met het uitproberen van nieuwe ideeën en met de vraag of deze überhaupt uitvoerbaar zouden zijn. Slechts weinig studies konden uitspraken doen over welke factoren belangrijk zijn om nieuwe technologieën in de praktijk te kunnen brengen: Verminderen de symptomen? Is de behandeling veilig? Wat zijn de langetermijngevolgen? Zijn ECA-interventies effectiever dan wat we op dit moment al doen? Uiteraard is dit niet zo verrassend: we hebben immers met een relatief nieuwe onderzoekslijn te maken en pas sinds 2009 neemt het aantal studies duidelijk toe.

Simpel maar doeltreffend
Daarnaast is het ontwikkelen van een ECA-systeem als Ellie bepaald geen sinecure. Er zijn experts uit verschillende disciplines bij nodig, zoals computerwetenschappers en psychologen. Het implementeren van de verschillende benodigde componenten zoals een dialoog-engine of geautomatiseerd non-verbaal gedrag kan vervolgens jaren in beslag nemen. Door de complexiteit wordt het er niet makkelijker op om ethische commissies of mensen uit de dagelijkse praktijk te overtuigen dat het geen kwaad kan de technologie met patiënten te testen. Om toch binnen de termijn van een promotietraject tot klinisch relevant bewijs te komen besloten we tot een ‘low-tech’ aanpak: virtuele karakters die nog wel aan alle criteria van een ECA voldoen, maar stukken eenvoudiger in elkaar zitten dan bijvoorbeeld Ellie. Verder beperkten we ons tot een methode en resultaatmeting die binnen veel interventies van belang zijn: Ecological Momentary Assessment (EMA) en therapietrouw.

Ecological Momentary Assessment en therapietrouw
Bij EMA worden iemands gedragingen of ervaringen herhaaldelijk gemeten in diens eigen omgeving. EMA is te vergelijken met het bijhouden van een stemmingsdagboek, zodat bijvoorbeeld later in een therapiesessie kan worden nagegaan of een slechte stemming het gevolg was van bepaalde gebeurtenissen. Inmiddels worden papieren dagboeken geleidelijk vervangen door smartphone apps die op specifieke tijdstippen een herinnering kunnen sturen. Therapietrouw (adherence) is in het geval van EMA lekker concreet: het gaat om het wel of niet beantwoorden van de automatisch gestelde vragen.

Motivatie
We gingen ermee aan de slag in onze tweede studie. Hierin onderzochten we of we met eenvoudige visuele feedback een grotere therapietrouw konden bereiken en of we bij het geven van die feedback rekening moesten houden met individuele verschillen in motivatie. In een smartphone-onderzoek werd gedurende drie weken driemaal daags de stemming van deelnemers gemeten met een EMA-app. De helft van de deelnemers werd hiervoor telkens bedankt door een avatar die hun gerapporteerde stemming visueel spiegelde. Het doel hiervan was te kijken of we laag-gemotiveerde deelnemers extra konden motiveren door het systeem een gezicht te geven waarin zij zich konden herkennen. Het waren echter niet de laag-gemotiveerde, maar de hoog-gemotiveerde deelnemers die van deze toepassing profiteerden en een grotere therapietrouw ontwikkelden. Een belangrijke les die we in deze studie leerden was dus dat feedback geven niet zomaar altijd effectief hoeft te zijn, en mogelijk zelfs averechts kan werken.

Vervolgproject
In het vervolg van dit project ontwikkelen we een nieuwe en generieke EMA-applicatie. Binnen deze applicatie komt meer ruimte voor geautomatiseerde ondersteuning, bijvoorbeeld door meer  gepersonaliseerde feedbackberichten. Voortbordurend op het paradigma van de tweede studie zal uiteindelijk onderzocht worden of het toepassen van geautomatiseerde feedback tot een hogere therapietrouw leidt.